Mobiliteit van leraren tussen onderwijssectoren

In deze thema-analyse wordt de arbeidsmobiliteit van leraren tussen het po, vo en mbo in de periode 2013-2017 beschreven. U kunt de analyse ook downloaden. In deze thema-analyse is gekeken hoe vaak arbeidsmobiliteit van leraren tussen sectoren voorkomt, hoe zich dit over de tijd ontwikkeld en welke leraren mobiel zijn  (achtergrondkenmerken).

Belangrijkste resultaten

  • Wat is het aantal leraren dat jaarlijks tussen de verschillende onderwijssectoren van baan verandert? Van de leraren po, vo en mbo vertrekt in de periode 2013-2017 jaarlijks maximaal 1% naar een van de andere onderwijssectoren. Gemiddeld gaat het bij het po en vo om ongeveer 500 personen en bij het mbo om ongeveer 300 personen. Op het totale aantal leraren zijn dit bescheiden aantallen. In het po gaat het om ongeveer 0,4% van de leraren, in het vo om 0,6% van de leraren en in het mbo om ongeveer 1% van de leraren.
  • Wat is het aantal leraren dat jaarlijks binnen dezelfde onderwijssector van werkgever verandert? Hiervoor kunnen we alleen in kaart brengen wie er bij een ander bestuur gaat werken. Binnen het vo verandert per jaar zo’n 3% van de leraren van bestuur, binnen het po 2% en binnen het mbo 1%.

  • Hoe vaak gaat zo’n verandering gepaard met een verandering van functie? Van de leraren die in dezelfde onderwijssector zijn blijven werken, is 1 à 2 procent een jaar later geen leraar meer. Van de leraren die in een andere sector zijn gaan werken, varieert dat van 3% (ex-mbo) tot 12% (ex-po). Omdat het aantal leraren dat in een andere sector gaat werken laag is, gaat het in absolute zin om een beperkt aantal personen.

  • Wat is de leeftijd van de leraren die tussen de verschillende onderwijssectoren van baan veranderen? Zowel voor verhuizingen binnen als buiten de sector geldt dat dit in alle leeftijdsgroepen voorkomt, maar dat het relatief vaker voorkomt naarmate men jonger is.

Geldigheid bevoegdheden

Bij het overstappen naar een andere onderwijssector om daar les te gaan geven speelt vanzelfsprekend ook een rol in welke mate leraren op grond van hun diploma’s daartoe bevoegd zijn. In grote lijnen zit de bevoegdheid als volgt in elkaar:

  • voor het po is een pabo diploma nodig, voor het specifiek geven van bepaalde inhoudelijke vakken kan men met een inhoudelijk diploma lerarenopleiding volstaan (lichamelijke opvoeding maar ook Engels of Muziek).
  • Voor het vo is de lerarenopleiding in principe een vereiste. Wel zijn er plaatsen waar de pabo bevoegdheid volstaat, met name in het praktijkonderwijs en bij bepaalde vakken voor lwoo geïndiceerde kinderen. Vanuit eerder onderzoek is bekend dat enkele procenten van de leraren die in het vo werken alleen een po-bevoegdheid hebben, met name gebeurt dit in de onderbouw van het vmbo.
  • Voor het mbo geeft de lerarenopleiding de bevoegdheid tot lesgeven. Mensen met vaardigheden uit de beroepspraktijk kunnen daarnaast via het behalen van een Pedagogisch Didactisch Getuigschrift een bevoegdheid verkrijgen, die specifiek aan de eigen school verbonden is. Leraren kunnen hiermee niet in een andere sector les geven.

Verder zijn er in de sectoren regels voor zij-instromers waarbij mensen na een assessment direct als leraar aan de slag mogen als zij tegelijkertijd een verkorte vorm van de opleiding voor het vak volgen. Dit maakt een overstap tussen de sectoren makkelijker.

Afzenders