Taal- en rekenvaardigheid aan het einde van de basisschool

De commissie Meijerink heeft referentieniveaus opgesteld voor taal en rekenen. Die beschrijven wat leerlingen in opeenvolgende fasen van het onderwijs moeten kennen en kunnen. 
De commissie wil dat minimaal 85 procent van de leerlingen aan het einde van het primair onderwijs het fundamentele niveau (1F) behaalt en minimaal 65 procent het streefniveau (1s/2F). 

Jaarlijks peilt de Inspectie van het Onderwijs de taal- en rekenvaardigheid van leerlingen aan het einde van de basisschool door de scores van leerlingen op de eindtoetsen te analyseren.
Voor het schooljaar 2018/2019 wordt voor het eerst naar de resultaten van alle vijf de eindtoetsen gekeken. Ondanks dat deze eindtoetsen van elkaar verschillen, is de vergelijkbaarheid tussen de eindtoetsen voldoende om een landelijk beeld te schetsen.

De onderstaande grafiek laat het percentage leerlingen zien dat de referentieniveaus beheerst. Onder 'gerelateerde grafieken' is te zien hoe geslacht, opleidingsniveau van de ouders en migratieachtergrond samenhangt met het behalen van de referentieniveaus.

Percentage leerlingen dat de referentieniveaus voor lezen, taalverzorging en rekenen beheerst

Percentage leerlingen dat de referentieniveaus voor lezen, taalverzorging en rekenen beheerst Groep 8, 2018-2019
streefniveau (2F-1S)fundamenteel niveau (1F)onder fundamenteel niveau (kleiner dan 1F)
lezen77,90%20,50%1,60%
taalverzorging60,20%36,70%3%
rekenen47,10%46,40%6,50%

Duidelijk is dat veel leerlingen het fundamentele niveau (1F) beheersen. De ambities die de commissie Meijerink formuleerde bij het opstellen van de referentieniveaus voor het behalen van 1F zijn voor 2019 gehaald: zowel voor lezen (98,4 procent) als voor taalverzorging (93,5 procent) geldt dat minstens 85 procent van de leerlingen dit niveau beheerst.

Voor lezen beheerst een flink percentage leerlingen (77,9 procent) ook het streefniveau maar voor taalverzorging (60,2 procent) en rekenen (47,1 procent) ligt het percentage onder de ambitie van 65 procent die de commissie Meijerink formuleerde.

Bron: Inspectie van het Onderwijs, Peil. Taal en rekenen 2018-2019 Brontabel als csv (180 bytes)
Percentage leerlingen dat de referentieniveaus voor lezen, taalverzorging en rekenen beheerst, naar geslacht Groep 8, 2018-2019
streefniveau (2F-1S)fundamenteel niveau (1F)onder fundamenteel niveau (kleiner dan 1F)
lezen jongens74,60%23,20%2,20%
lezen meisjes81,10%17,80%1%
taalverz jongens54,70%41%4,30%
taalverz meisjes65,70%32,60%1,80%
rekenen jongens50,70%43,90%5,40%
rekenen meisjes43,60%48,80%7,60%

Meisjes presteren beter op de onderdelen lezen en taalverzorging, terwijl jongens beter presteren op het onderdeel rekenen.
Zowel jongens (74,6 procent) als meisjes (81,1 procent) behalen de ambitie van 65 procent voor 2F lezen, maar meisjes  presteren duidelijk beter.
De meisjes halen ook de ambitie van 65 procent voor taalverzorging: 65,7 procent van de meisjes en 54,7 procent van de jongens haalt 2F.
Bij rekenen is het beeld omgekeerd: Meer jongens (50,7 procent) dan meisjes (43,6 procent) beheersen het streefniveau 1S, al behalen beide groepen de ambitie van 65 procent niet. Bovendien beheerst een flink percentage van de jongens (5,4 procent) en meisjes (7,6 procent) het 1F-niveau voor rekenen niet.
De grootste verschillen in prestaties tussen jongens en meisjes is te zien bij taalverzorging.

Bron: Inspectie van het Onderwijs, Peil. Taal en rekenen 2018-2019 Brontabel als csv (315 bytes)
Percentage leerlingen dat de referentieniveaus voor lezen, taalverzorging en rekenen beheerst, naar opleidingsniveau ouders Groep 8, 2018-2019
streefniveau (2F-1S)fundamenteel niveau (1F)onder fundamenteel niveau (kleiner dan 1F)
lezen max. bao58,50%37,10%4,40%
lezen max. vo en mbo-162,70%33,90%3,40%
lezen max. mbo-262,40%34,30%3,30%
lezen max. mbo-370,50%27,10%2,30%
lezen max. mbo-474,50%23,90%1,60%
lezen max. hbo84,90%14,40%0,70%
lezen max. wo+92,00%7,70%0,30%
taalverz max. bao48,20%46,30%5,50%
taalverz max. vo en mbo-147,40%47,20%5,30%
taalverz max. mbo-247,60%47,10%5,40%
taalverz max. mbo-353,10%43%3,90%
taalverz max. mbo-455,70%40,90%3,40%
taalverz max. hbo65,40%32,50%2,10%
taalverz max. wo+75,10%23,80%1,10%
rekenen max. bao32,50%54,40%13,10%
rekenen max. vo en mbo-129,90%56,80%13,20%
rekenen max. mbo-228,80%57,90%13,20%
rekenen max. mbo-335,90%55,20%9,00%
rekenen max. mbo-440,50%52,00%7,50%
rekenen max. hbo53,80%42,40%3,80%
rekenen max. wo+67,40%30,90%1,70%

Naarmate het opleidingsniveau van de ouders toeneemt, behalen meer leerlingen het streefniveau 1S/2F. Tegelijkertijd neemt het aantal leerlingen dat niveau 1F niet haalt af.
Zo beheerst 92 procent van de leerlingen met ouders in de hoogste opleidingscategorie (wo+, oftewel een masteropleiding of hoger) het streefniveau 2F voor lezen, tegenover 58,5 procent van de leerlingen met ouders in de laagste opleidingscategorie (maximaal basisnderwijs (bao)).
Bij rekenen is dit respectievelijk 67,4 procent en 32,5 procent.
De verschillen tussen de twee groepen zijn het kleinst bij taalverzorging: 75,1 procent tegenover 48,2 procent.

Leerlingen van ouders met een opleiding in de 3 laagste opleidingscategorieën (maximaal basisonderwijs, maximaal voortgezet onderwijs/mbo-niveau 1 en maximaal mbo-niveau 2) presteren het zwakst. Vanaf mbo-niveau 3 verbeteren de resultaten overtuigend. 
Bij taalverzorging behalen de leerlingen van ouders in de laagste 3 opleidingscategorieën behoorlijk vergelijkbare resultaten.
Bij lezen en rekenen wijkt het beeld voor de laagste 3 opleidingscategorieën iets af. 

Voor lezen halen de leerlingen van ouders met mbo-niveau 3 of hoger de ambitie van 65 procent voor het streefniveau 2F.
Bij taalverzorging geldt dit vanaf opleidingsniveau hbo.
Bij rekenen lukt het alleen de groep leerlingen van ouders met opleidingsniveau wo+ om de ambitie van 65 procent van niveau 1S te halen.
 

Bron: Inspectie van het Onderwijs, Peil. Taal en rekenen 2018-2019 Brontabel als csv (933 bytes)
Percentage leerlingen dat de referentieniveaus voor lezen, taalverzorging en rekenen beheerst, naar migratieachtergrond Groep 8, 2018-2019
streefniveau (2F-1S)fundamenteel niveau (1F)onder fundamenteel niveau (kleiner dan 1F)
lezen geen migratieachtergrond80,30%18,50%1,20%
lezen 1e gen. westers72%25,10%2,90%
lezen 2e gen. westers81,50%17,40%1,10%
lezen 1e gen. niet-westers61,30%33,10%5,60%
lezen 2e gen. niet-westers67,60%29,70%2,70%
lezen geen migratieachtergrond60,80%36,30%2,80%
lezen 1e gen. westers58,90%36,40%4,80%
lezen 2e gen. westers64,60%33,30%2,10%
lezen 1e gen. niet-westers52,90%40,60%6,50%
lezen 2e gen. niet-westers56,70%39,60%3,70%
lezen geen migratieachtergrond48,60%45,60%5,80%
lezen 1e gen. westers47%46%7%
lezen 2e gen. westers51,10%43,90%5%
lezen 1e gen. niet-westers40,20%49,50%10,30%
lezen 2e gen. niet-westers39,30%50,70%10%

Gemiddeld presteren leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond1 minder goed dan leerlingen met een westerse migratieachtergrond en leerlingen zonder migratieachtergrond.
De eerste generatie niet-westerse migranten behaalt voor lezen en taalverzorging lagere prestaties dan de tweede generatie. Het valt op dat bij rekenen nauwelijks een verschil zichtbaar is. De eerste generatie niet-westerse migranten presteert zelfs iets beter als het gaat om de beheersing van het streefniveau 1S (eerste generatie 40,2 procent en tweede generatie 39,3 procent). 
Dit is anders voor leerlingen met een westerse migratieachtergrond: tweede generatie westerse migranten presteren op alle onderdelen juist duidelijk beter dan de eerste generatie westerse migranten. Leerlingen die behoren tot de tweede generatie westerse migranten presteren zelfs op alle onderdelen iets beter dan de leerlingen zonder migratieachtergrond. Het grootste verschil is zichtbaar bij taalverzorging: 60,8 procent van de leerlingen zonder migratieachtergrond beheerst het streefniveau 2F tegen 64,6 procent van de tweede generatie westerse migranten. 
Voor de beheersing van het streefniveau door de verschillende groepen leerlingen geldt dat alle groepen leerlingen alleen voor lezen het ambitieniveau van 65 procent 1S/2F halen, met uitzondering van de eerste generatie niet-westerse migranten die ook voor lezen deze ambitie niet halen.
 

CBS-definitie: Iemand die in het buitenland is geboren, behoort tot de eerste generatie, terwijl iemand van de tweede generatie in Nederland is geboren. Westerse migranten komen uit een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië. Niet-westerse migranten komen uit Afrika, Latijns-Amerika of Azië (inclusief Turkije). Leerlingen die een eindtoets maakten maar minder dan vier jaar in Nederland zijn, zijn niet meegenomen.

Bron: Inspectie van het Onderwijs, Peil. Taal en rekenen 2018-2019 Brontabel als csv (787 bytes)

Afzenders