Uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling

Het figuur toont de publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair (basisonderwijs) en secundair onderwijs (vo en mbo).

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs per leerling

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs per leerling In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2017)
PrimairSecundair
DEN103378691
VS980311219
ZWE94899836
VK90339024
BEL864611349
FIN74998138
DUI745210341
NED724010812
JAP68698582
FRA64769924
OESO70778211
EU-2372168396

De Nederlandse uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair onderwijs (basisonderwijs) liggen boven het OESO gemiddelde. In vergelijking met andere landen geeft Nederland een hoog bedrag per leerling in het secundair onderwijs (vo en mbo) uit. Dit is opmerkelijk en wordt vrijwel volledig verklaard door de private uitgaven per leerling in het mbo (betreft uitgaven van bedrijven aan leerlingen die duaal onderwijs volgen in de beroepsbegeleidende leerweg). Deze zijn gemiddeld bijna 40 procent hoger dan de uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs (vmbo, havo en vwo).

Bron: EAG 2020, tabel C1.1, tabel X2.2 Brontabel als csv (210 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs aan het primaire onderwijsproces per leerling In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2017)
2017
VS10518
BEL10162
ZWE9606
DUI9493
DEN9468
NED9288
VK9028
FRA8460
FIN7888
JAP7756
OESO7784
EU-238052

Uitgaven aan onderwijsinstellingen in het primair en secundair onderwijs kunnen verdeeld worden in uitgaven aan het primaire onderwijsproces en uitgaven ter ondersteuning van het onderwijs. Deze laatsten zijn bijvoorbeeld schoolmaaltijden en schoolvervoer verzorgd door de onderwijsinstellingen.
In Nederland zijn deze uitgaven nihil, maar in sommige andere landen, zoals Finland, Zweden en Frankrijk, vormen ze 10 tot 13% van de totale publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen. Als we de uitgaven aan het primaire onderwijsproces vergelijken, dan geeft Nederland méér uit per leerling dan gemiddeld in de OESO-landen en meer dan in Finland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In de Verenigde Staten, België, Zweden en Duitsland zijn de uitgaven hoger dan in Nederland.

Bron: EAG 2020, tabel C1.1, tabel X2.2 Brontabel als csv (134 bytes)

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs Voor enkele landen met een sterk duaal stelsel -In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2017)
Algemeen (in NED bovenbouw havo en vwo)Beroepsgericht (in NED mbo 2-4)
OOS1123014055
BEL1106211596
FRA1085512632
VK104546989
DUI1009113981
NED884812282
ZWE862411462
FIN67886216
OESO78258969
EU-2380839166

In het figuur wordt Nederland vergeleken met landen die ook een (sterk) duaal stelsel kennen, d.w.z. een combinatie van leren en werken zoals in de beroepsgerichte leerweg (de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het mbo in Nederland).
De uitgaven per leerling in het mbo zijn hoger dan in het algemeen vormend onderwijs. Dit geldt in de meeste vergelijkingslanden en het betreft voor Nederland vooral de (private) uitgaven van bedrijven aan onderwijs en begeleiding van de leerlingen op de werkvloer. De Nederlandse uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs zijn hoger dan het OESO-gemiddelde.
Voor het mbo liggen de uitgaven per leerling fors boven het OESO gemiddelde. Slechts een beperkt deel van de OESO-landen kent een duaal stelsel. Een vergelijking met het OESO-gemiddelde wordt verder beïnvloed door verschillen in bekostigingssystematiek en de mate waarin landen in staat zijn de private uitgaven van bedrijven aan leerlingen in de beroepsgerichte leerweg te kwantificeren. Zwitserland en Duitsland brengen hun uitgaven aan onderwijs op vergelijkbare wijze als Nederland in kaart.

Bron: EAG 2020, tabel C1.1, tabel X2.2 Brontabel als csv (253 bytes)

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student In euro's omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (uitgaven incl. en excl. R&D, 2017)
Tertiair incl RnDTertiair excl RnD
VS2573922695
VK2191017353
ZWE199179285
NED1591610201
BEL151209761
JAP14666
DUI142918124
DEN140616833
FIN138027686
FRA131979060
OESO127118746
EU-23129918827

In de indicator zijn de collegegelden meegenomen, maar niet de uitgaven voor studiefinanciering. De Nederlandse uitgaven per student in- en exclusief R&D liggen boven het OESO-gemiddelde. In sommige landen vinden veel R&D activiteiten buiten de instellingen plaats, waardoor de internationale vergelijkbaarheid van de uitgaven inclusief R&D niet helemaal zuiver is.

Bron: EAG 2020, tabel C1.1, tabel X2.2 Brontabel als csv (234 bytes)

Afzenders