Uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling

Het figuur toont de publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair en secundair onderwijs (po, vo en mbo).

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs per leerling In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2016)
PrimairSecundair
BEL862511021
FIN76548448
FRA61609803
DUI72599939
JAP72749089
NED697510537
ZWE91859634
VK90648882
VS987111216
OESO68628075
EU-2369268268

De Nederlandse uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair onderwijs liggen boven het OESO gemiddelde. In vergelijking met andere landen geeft Nederland een hoog bedrag per leerling in het secundair onderwijs (vo en mbo) uit. Dit is opmerkelijk en wordt vrijwel volledig verklaard door de private uitgaven per leerling in het mbo (betreft uitgaven van bedrijven aan leerlingen die duaal onderwijs volgen in de beroepsbegeleidende leerweg). Deze zijn gemiddeld bijna 40 procent hoger dan de uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs (vmbo, havo en vwo).

Bron: EAG 2019, tabel C1.1, tabel X2.3 Brontabel als csv (189 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs aan het primaire onderwijsproces per leerling In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2016)
2016
FRA8253
FIN8138
ZWE9356
DUI9150
NED9010
VS10548
VK8962
BEL9985
OESO7581
EU-237818

Uitgaven aan onderwijsinstellingen in het primair en secundair onderwijs kunnen verdeeld worden in uitgaven aan het primaire onderwijsproces en uitgaven ter ondersteuning van het onderwijs. Deze laatsten zijn bijvoorbeeld schoolmaaltijden en schoolvervoer verzorgd door de onderwijsinstellingen.
In Nederland zijn deze uitgaven nihil, maar in sommige andere landen, zoals Finland, Zweden en Frankrijk, vormen ze 10 tot 13% van de totale publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen. Als we de uitgaven aan het primaire onderwijsproces vergelijken, dan geeft Nederland méér uit per leerling dan gemiddeld in de OESO-landen en meer dan in Frankrijk, Finland en VK. In de VS, Zweden en België zijn de uitgaven hoger dan in Nederland.

Bron: EAG 2019, tabel C1.1, tabel X2.3 Brontabel als csv (109 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs Voor enkele landen met een sterk duaal stelsel -In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2016)
Algemeen (in NED bovenbouw havo en vwo)Beroepsgericht (in NED mbo 2-4)
OOS1149614443
BEL1089711246
FIN68386700
FRA1088112470
DUI963513224
NED858211771
ZWE863911075
VK99357646
OESO76138849
EU-2378359171

In het figuur wordt Nederland vergeleken met landen die ook een (sterk) duaal stelsel kennen, d.w.z. een combinatie van leren en werken in de beroepsgerichte leerweg (de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het mbo in Nederland).
De uitgaven per leerling in het mbo zijn hoger dan in het algemeen vormend onderwijs. Dit geldt in de meeste vergelijkingslanden en het betreft voor Nederland vooral de (private) uitgaven van bedrijven aan onderwijs en begeleiding van de leerlingen op de werkvloer. Internationaal zijn de Nederlandse uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs hoger dan het OESO-gemiddelde.
Voor het mbo liggen de uitgaven per leerling fors boven het OESO gemiddelde. Slechts een beperkt deel van de OESO-landen kent een duaal stelsel. Een vergelijking met het OESO-gemiddelde wordt verder beïnvloed door verschillen in bekostigingssystematiek en de mate waarin landen in staat zijn de private uitgaven van bedrijven aan leerlingen in de beroepsgerichte leerweg te kwantificeren. Zwitserland en Duitsland brengen hun uitgaven aan onderwijs op vergelijkbare wijze als Nederland in kaart.

Bron: EAG 2019, tabel C1.1, tabel X2.3 Brontabel als csv (235 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student In euro's omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (uitgaven incl. en excl. R&D, 2016)
Tertiair incl RnDTertiair excl RnD
FRA131038937
JAP15547
BEL147209599
VK1925914911
DUI141207991
FIN142118356
NED1580810141
ZWE197209023
VS2443921509
OESO126038957
EU-23128528616

In de indicator zijn de collegegelden meegenomen, maar niet de uitgaven voor studiefinanciering. De Nederlandse uitgaven per student in- en exclusief R&D liggen boven het OESO-gemiddelde. In sommige landen vinden veel R&D activiteiten buiten de instellingen plaats, waardoor de internationale vergelijkbaarheid van de uitgaven inclusief R&D niet helemaal zuiver is.

Bron: EAG 2019, tabel C1.1, tabel X2.3 Brontabel als csv (214 bytes)

Afzenders