Uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling

Het figuur toont de publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair en secundair onderwijs (po, vo en mbo).

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs per leerling In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2015)
PrimairSecundair
BEL831810647
FIN75808539
FRA60249569
DUI70219605
JAP74179081
NED690610468
ZWE88419288
VK94748610
VS955310658
OESO70318154
EU- 2270518232

De Nederlandse uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair onderwijs liggen iets onder het OESO gemiddelde. In vergelijking met andere landen geeft Nederland een hoog bedrag per leerling in het secundair onderwijs (vo en mbo) uit. Dit is opmerkelijk en wordt vrijwel volledig verklaard door de private uitgaven per leerling in het mbo (betreft uitgaven van bedrijven aan leerlingen die duaal onderwijs volgen in de beroepsbegeleidende leerweg). Deze zijn gemiddeld bijna 30 procent hoger dan de uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs (vmbo, havo en vwo).

Bron: EAG 2018, tabel C1.1, tabel X2.1 Brontabel als csv (191 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs aan het primaire onderwijsproces per leerling In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2015)
20142015
FRA69557041
FIN70047350
ZWE78628055
DUI84118613
NED86148928
VS89549295
VK93268041
BEL92899329
OESO71777187
EU-2273037204

Uitgaven aan  onderwijsinstellingen in het primair en secundair onderwijs kunnen verdeeld worden in uitgaven aan het primaire onderwijsproces en uitgaven ter ondersteuning van het onderwijs. Deze laatsten zijn bijvoorbeeld schoolmaaltijden en schoolvervoer verzorgd door de onderwijsinstellingen.
In Nederland zijn deze uitgaven nihil, maar in sommige andere landen, zoals Finland, Zweden en Frankrijk, vormen ze 10 tot 13% van de totale publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen. Als we de uitgaven aan het primaire onderwijsproces vergelijken, dan geeft Nederland méér uit per leerling dan gemiddeld in de OESO-landen en meer dan in Frankrijk, Finland, Zweden, VK en Duitsland. In de VS en België zijn de uitgaven hoger dan in Nederland. Er is een lichte stijging in Nederland, die ook in de OESO-gemiddeld te zien is tussen 2014 en 2015. In de EU-22 is deze stijging er niet. Ten opzichte van 2005 zijn de uitgaven in Nederland gestegen, waarbij de stijging vooral tussen 2005 en 2010 paatsvond. 

Bron: EAG 2017, tabel B1.2, tabel X2.1; EAG 2018, tabel C1.1, tabel X2.1 Brontabel als csv (163 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs Voor enkele landen met een sterk duaal stelsel -In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2015)
Algemeen (in NED bovenbouw havo en vwo)Beroepsgericht (in NED mbo 2-4)
OOS1100813600
FIN68636995
DUI930612987
NED841411973
ZWE631213745
FRA1069612189
OESO74288991
EU-2276949309

In het figuur wordt Nederland vergeleken met landen die ook een (sterk) duaal stelsel kennen, d.w.z. een combinatie van leren en werken in de beroepsgerichte leerweg (de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het mbo in Nederland).

De uitgaven per leerling in het mbo zijn hoger dan in het algemeen vormend onderwijs. Dit geldt in de meeste vergelijkingslanden en het betreft voor Nederland vooral de (private) uitgaven van bedrijven aan onderwijs en begeleiding van de leerlingen op de werkvloer. Internationaal zijn de Nederlandse uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs hoger dan het OESO-gemiddelde.

Voor het mbo liggen de uitgaven per leerling fors boven het OESO gemiddelde. Slechts een beperkt deel van de OESO-landen kent een duaal stelsel. Een vergelijking met het OESO-gemiddelde wordt verder beïnvloed door verschillen in bekostigingssystematiek en de mate waarin landen in staat zijn de private uitgaven van bedrijven aan leerlingen in de beroepsgerichte leerweg te kwantificeren. Zwitserland en Duitsland brengen hun uitgaven aan onderwijs op vergelijkbare wijze als Nederland in kaart.

Bron: EAG 2018, tabel C1.1, tabel X2.1 Brontabel als csv (204 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student In euro's omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (uitgaven incl. en excl. R&D, 2015)
Tertiair incl RnDTertiair excl RnD
FRA131528666
JAP15713
BEL141099472
VK2144116721
DUI138778160
FIN143308465
NED157119862
ZWE198919203
VS2444121846
OESO127549164
EU22130329068

In de indicator zijn de collegegelden meegenomen, maar niet de uitgaven voor studiefinanciering. De Nederlandse uitgaven per student in- en exclusief R&D liggen boven het OESO-gemiddelde. In sommige landen vinden veel R&D activiteiten buiten de instellingen plaats, waardoor de internationale vergelijkbaarheid van de uitgaven inclusief R&D niet helemaal zuiver is.

Bron: EAG 2018, tabel C1.1, tabel X2.1 Brontabel als csv (212 bytes)

Afzenders